Door Joyce Hoek-Pula.

Het College voor Perinatale Zorg (CPZ), dat is opgericht om de verschillende verloskundige disciplines de geboortezorg in Nederland te laten hervormen, heeft zijn geloofwaardigheid definitief verloren.

Wat is er aan de hand?
Twee jaar geleden is men begonnen met het schrijven van de Zorgstandaard. Hierin staan de kaders voor de zorg aan moeder en kind beschreven. Dit was een uitermate moeizaam proces, waaruit in augustus 2015 een voor alle betrokkenen min of meer acceptabel document is voortgekomen.

In de daaropvolgende consultatieronde heeft de beroepsvereniging van de gynaecologen (NVOG) deze versie direct afgekeurd, zonder haar achterban te raadplegen.

Waarom heeft de NVOG dit gedaan?
Het hete hangijzer is de zogenaamde risicoselectie: wie is verantwoordelijk voor de inschatting welke medische zorg een zwangere nodig heeft. Deze taak ligt nu nog – en heeft altijd gelegen – bij de verloskundige, net zoals de huisarts bepaalt welke patiënt een medisch specialist nodig heeft. Dit geeft hoog kwalitatieve zorg, zonder onnodige medicalisatie en houdt de kosten in de hand.

De NVOG (en ook anderen) vindt dat de verantwoordelijkheid gezamenlijk moet worden gedragen, door verloskundigen en gynaecologen. Maar wat betekent deze ‘shared care’? En wie neemt dan de uiteindelijke beslissing? Er is voldoende onderzoek waaruit blijkt dat shared care modellen van zorg meer medicalisering geven, geen betere uitkomsten geven en bovendien duurder zijn.

Meer medicalisering is slechter voor de vrouw, want meer (onnodige) medische ingrepen (bijstimulatie, inleiding, episiotomieën (‘knip’), vacuüm-verlossingen, keizersnedes), terwijl de uitkomsten voor het kind bewezen niet beter worden.

Na veel overleg en discussie tussen de twee beroepsgroepen (NVOG en die van de verloskundigen, KNOV) is de betreffende paragraaf veranderd in een schimmige tekst, waarin het leek alsof er ruimte was om in de regio verder te bepalen wie de risicoselectie op zich zou nemen. Bij deze overleggen is geen cliëntenorganisatie betrokken geweest. In de laatste bijeenkomst van de werkgroep Zorgstandaard, waarbij de Geboortebeweging wel aanwezig was, bleek echter dat de NVOG van mening is dat het shared care model in álle regio’s doorgevoerd moet worden. Geen wonder dat de KNOV ‘not amused’ was. En geen wonder dat de verloskundigen daarna met een overweldigende meerderheid de zorgstandaard afgekeurd hebben.

Dit is allemaal nog tot daaraan toe.

Welke leugens zet het neutrale College voor Perinatale Zorg (CPZ) nu in?
Wat er nu gebeurt in het CPZ, bij monde van voorman Chiel Bos, laat een knap staaltje vuilgooierij zien. Hij verkondigt heel hard, telkens weer, dezelfde leugen, waarschijnlijk in de hoop dat deze vanzelf een keer geloofd wordt.

Leugen 1
Dit zegt Chiel Bos op 12-4-2016 op de site van Zorgvisie:
‘In het verleden ging het mis omdat de eerstelijnsverloskundige niet in staat bleek een goede risicoselectie te doen, met alle gevolgen van dien.

Bos legt hiermee open en bloot de schuld van babysterfte bij de verloskundige. Dit is een grove leugen, zo groot dat het bijna niet te bevatten is dat hij deze woorden in zijn mond durft te nemen.

Gebrekkige communicatie speelt vaak een rol bij slechte uitkomsten. Dit is een probleem van twee (of meer) partijen, waarbij de verantwoordelijkheid nooit bij een enkele partij neergelegd kan worden.

Erger is, dat die hele ‘hoge babysterfte’ een grote mythe is. Wie de cijfers goed bekijkt, ziet dat Nederland op hetzelfde niveau staat als Duitsland, Zweden, en Noorwegen. Finland doet het beter, Denemarken, België en Engeland doen het slechter.

De babysterfte is nog nooit zo laag geweest in de geschiedenis, en is nog steeds aan het dalen. De meeste baby’s die dood gaan, zijn de zeer vroeg geboren baby’s. Door betere behandelingsmogelijkheden, ontwikkelingen in de complexe neonatale zorg, kunnen zeer vroeg geboren baby’s in leven gehouden worden.

Het is crimineel te noemen dat een stelselverandering doorgedrukt wordt op basis van een niet bestaand probleem.

Leugen 2
Een volgend citaat:
‘Dat de verloskundigen niet mee willen werken, heeft volgens Bos ook een financiële reden: ‘Hoe langer de zwangere in behandeling bij de eerstelijnsverloskundige blijft, des te meer zij verdient. Daarom werd er te laat naar de gynaecoloog verwezen.’

Het omgekeerde is waar: Als een zwangere tijdens de bevalling overgedragen wordt aan het ziekenhuis, krijgt de verloskundige evenveel geld voor de begeleiding van de bevalling als in de situatie dat ze de bevalling helemaal zelf begeleidt. Het ‘loont’ dus als de verloskundige de zwangere tijdens de bevalling ‘doorschuift’.

Leugen 3
Verder zegt Bos:
‘Ook komt er definitief een integraal tarief voor de geboortezorg’.

Meerdere partijen zijn het absoluut (nog) niet eens over een integraal tarief. Hij spreekt hier dus niet de waarheid. De politiek en sommige verzekeraars willen dat integrale tarief. Andere partijen (cliënten, kraamzorg, verloskundigen, andere verzekeraars) willen het  niet , en ook een deel van de gynaecologen twijfelt.

Leugen 4
‘Bos heeft zelf ook niet het idee dat de nee-stem de stemming goed weerspiegelt: ‘De meeste verloskundigen werken allang goed samen in de regio’s. Die begrijpen het probleem helemaal niet.’

Bos is hier niet helemaal reëel – 1000 stemmen tegen de zorgstandaard en 16 stemmen voor zou niet de stemming goed weerspiegelen? Bovendien: er werd op de meeste plekken allang goed samengewerkt, daar is geen integraal systeem voor nodig.

Stichting Geboortebeweging heeft als eerste de zorgstandaard niet geaccordeerd, onder andere omdat er geen zicht is op hoe de kwaliteit van zorg gemeten gaat worden en omdat het volledig overlaten aan de regio’s voor de inrichting van de zorg, zonder duidelijke kaders, willekeur in de hand gaat werken. Er is geen enkele onderbouwing dat de verloskundige zorg aan vrouwen er beter op gaat worden of dat de rechten van de vrouw (in de praktijk) gewaarborgd worden.

Wat wil Stichting Geboortebeweging?
Nu heeft Chiel Bos zijn ware gezicht laten zien, en blijkt het CPZ niet die verbindende, onafhankelijke partij te zijn die ze hadden moeten zijn. Kunnen we dan eindelijk dat hele circus achter ons laten en het wérkelijk gaan hebben over wat de zorg zou kunnen verbeteren? En zullen we daarbij de cliënt het eerste – en het laatste – woord laten hebben?

De Stichting Geboortebeweging doet graag mee.