=== Persbericht ===
19 april 2016

Waar is de zwangere in de discussie over de geboortezorg?

De beroepsvereniging van verloskundigen (KNOV) trekt zich terug uit het College Perinatale Zorg (CPZ), nadat voorzitter Chiel Bos de babysterfte in de schoenen van de verloskundigen heeft geschoven. De Minister roept op om de handen ineen te slaan en zegt dat zij de ‘betrokken partijen’ bij zich aan tafel zal uitnodigen. Nergens in de media komt de zwangere voor in dit rijtje van betrokkenen.

Stichting Geboortebeweging merkt op dat in een interview met de Minister, in het Tijdschrift voor Verloskundigen, de zwangere niet als belangrijkste actor naar voren komt. Het is volgens de stichting een grote misser  om de zwangere niet veel directer en met een meer prominente rol te betrekken bij de hervormingen.

In de huidige discussie zijn vijf cruciale zaken die aandacht behoeven:

  1. Babysterfte als oorzaak en het omlaag brengen daarvan als doel van drastische hervormingen van de geboortezorg, vormen een te smalle basis.
  2. De babysterfte in Nederland is niet ‘hoog’ in vergelijking met andere landen. We zitten op hetzelfde niveau als Duitsland en Zweden. Finland heeft de laagste sterfte. Denemarken, België en Engeland hebben een hogere babysterfte. Het gaat daarbij om verschillen van 1-2 promille. Te zeggen dat de babysterfte in vergelijking met andere landen in Europa ‘hoog’ is, geeft de indruk dat het heel slecht gaat in Nederland en dat is misleidend. De babysterfte is nog nooit zo laag geweest, en daalt nog steeds.
  3. Er is nimmer een echte, inhoudelijke visie op geboortezorg geschreven door de betrokken partijen. Dit is een van de grootste missers geweest van het College van Perinatale Zorg.
  4. Het CPZ heeft gefaald om betrokken partijen dichter bij elkaar te brengen.
  5. De Zorgstandaard ligt bij het Zorginstituut terwijl het door drie belangrijke groepen niet geaccordeerd is: de verloskundigen, de kraamzorg en de cliënten (vertegenwoordigd door de Stichting Geboortebeweging).

De Stichting Geboortebeweging roept de minister op om pas op de plaats te maken – ook daar waar het Zorginstituut betrokken wordt – totdat er overeenstemming tussen de partijen is over de visie en missie van het CPZ. Hierbij moet de belangrijkste partij, de cliënt, een beslissende stem krijgen.